Uitgelicht

Doofstom – Speciaal onderwijs – anno 1821
door Zwanie Erkelens-Aanen

Cornelis van Asperen
In een genealogisch onderzoek kunnen we voor verrassingen komen te staan. Een voorbeeld is Cornelis van Asperen, geb. 06-01-1807 te Oud-Alblas, gedoopt 14-01-1807 te Oud-Alblas, overleden 11-07-1849 te Oud-Alblas, ongehuwd, zoon van Pieter Cornelis van Asperen (1744-1814) en Marigje Bastiaansd Verlek (1773-1843). Zo te zien niet veel aan de hand. Toch is er veel aan de hand in het leven van Cornelis: hij is nl. doofstom. We komen hem tegen in een boek: “Algemeen Verslag gedaan binnen Groningen in de 29e Jaarlijksche vergadering van contribuerende leden den 23 van Hooimaand 1821, wegens de directie van het instituut ter onderwijzing van Doofstommen aldaar opgericht in den jare 1790”. In de lijst “Doofstommen onderwezen” komen we nl. zijn naam tegen: Cornelis van Asperen, geboren te Oud-Alblas, zoon van Pieter Cornelisz van Asperen en Marrigje Verlek.
Hij was in “slagtmaand 1820” aangekomen en was toen 13 jaar oud. “Huisvesting: in het kosthuis, op wiens kosten: behalve 125 gl. op kosten van het instituut; gestuurd door het departement Dordrecht”. Elders in het boek komen we ook nog tegen: “We hebben het geluk gehad, van in dit jaar te hebben kunnen opnemen, de navolgende doofstommen….Cornelis van Asperen, van Oud-Alblas …”. Wat een reis heeft Cornelis van Asperen op jonge leeftijd al gemaakt: van Oud-Alblas naar de stad Groningen.

Instituut ter onderwijzing van doofstommen
Op 14 april 1790 heeft Henri Daniel Guyot (1753-1828), predikant van de Waalse (Franstalige) Gemeente met enkele notabelen te Groningen een instituut tot onderwijzing van doven en stommen opgericht en daarmee de eerste school voor speciaal onderwijs in Nederland. Dit is het officiële begin van het huidige Koninklijk Instituut voor Doven H.D. Guyot te Haren. Deze oprichting was de afsluiting van een periode waarin Guyot als privé-persoon dove kinderen had lesgegeven. Hij had in 1784 in Parijs Abbé De l’ Epée ontmoet en was, onder de indruk van het werk van deze grondlegger van het volksonderwijs aan doven, tien maanden bij hem in de leer gegaan. Terug in Groningen ving hij al spoedig aan, naast zijn predikantschap, dove kinderen te onderwijzen. Hij had hiermee zo veel succes dat het aantal leerlingen van 2 in 1785 uitgroeide tot 14 in 1789. Dit leverde onoverkomelijke tijds- en geldproblemen op. De oplossing werd gevonden in de bovengenoemde oprichting van het instituut. Tot zijn dood in 1828 gaf Guyot, de laatste levensjaren samen met zijn beide zoons, leiding aan het Groninger instituut, dat inmiddels wereldfaam had verworven. Vanaf eigenlijk het directe begin heeft het instituut financiële ondersteuning genoten van velerlei zijden: veel particuliere giften, jaarlijkse bijdragen van stedelijke en provinciale besturen en van de landelijke overheid. Ook de belangstelling en ondersteuning vanuit het koninklijk huis was altijd groot. Sinds 1814 ontvangt het instituut structurele subsidies van het rijk.

Doel van het instituut en methode van onderwijs
“Dit Instituut heeft ten doelwit het Onderwijs van Doven en Stommen binnen het Bataafsche Gemenebest”.
Op het instituut leerden doofstomme kinderen spreken en gebaren en daarnaast genoten zij lager onderwijs en leerden zij een ‘handwerk’: de meisjes leren vanaf hun binnenkomst breien, naaien, verstellen etc., de jongens eerst vanaf hun 10e of 11e jaar kleren naaien, schoenen maken, kuipen, borstels maken, timmeren en schrijnwerken. H.D. Guyot heeft het dovenonderwijs opgezet met gesproken Nederlands en gebruikmaking van gebaren. Onder invloed van nieuwere inzichten rondom het spreken kwam hij tot de zogenoemde ‘gemengde of oudhollandse methode’: waarbij de gebarentaal en woorden niet door elkaar gebruikt werden: doven konden in sommige situaties gebarentaal gebruiken maar moesten tijdens de lessen ook schriftelijk communiceren. “De heer Guyot (..) onttrekt zich niet, aan zulken het spreken te leren, welke hij daartoe geschikt bevindt”. Er werden van het begin af aan, naast de schoollokalen, jongens- en meisjes-‘kosthuizen’ gehuurd en al spoedig aangekocht, omdat velen van ver kwamen. In 1809 kon het Doofstommeninstituut beschikken over een aantal panden aan de Beplante Ossemarkt (nu: Guyotplein) in Groningen. Ook werden aparte joodse kosthuizen aangekocht omdat de afwijkende gedragsnormen, m.n. de spijswetten van dit geloof, dat noodzakelijk maakten.
Tegenwoordig is het instituut in Haren gevestigt en onderdeel van de Koningklijke Kentalis

Nog meer Alblasserwaarders
Er worden in bovengenoemd boek uit 1821 nog meer Alblasserwaarders genoemd: Geertruij Roodnat uit Alblasserdam (dochter van Arie Roodnat en Geertrui van Diepenbrugge) en Neeltje Tukker uit Hoornaar (dochter van Govert Tukker en Antonia den Burger). Ook lezen we nog: “Er was ook besloten Jan Tukker (van Hoornaar) op te nemen “doch [deze] is niet in tijds overgekomen zoo dat wij hebben moeten besluiten, dezelve met Herfstmaand aanstaande op het Instituut toe te laten”.

Artikel eerder gepubliceerd in “De Stamboom” maart 2017.